De Islamiet & De Ongelovige

Merijn van Nuland, niet gepubliceerd.

Rond zeven uur ’s avonds loop ik de verlaten fabriekshal binnen. De avond is al gevallen, en de donkere ruimte wordt alleen verlicht door een houtvuur. Op stoelen daaromheen zit een tiental mannen. Hun lichtbruine, donkerbruine, en zwarte gezichten zijn net zichtbaar in de duisternis, evenals de oude kleren die ze dragen. Dit is het primitieve toevluchtsoord van de migranten in Calais, Frankrijk. Sinds hun ‘sloppenwijk’ aan de rand van de stad eind 2009 werd gesloopt, slapen zij gedwongen op straat of in dit soort kraakpanden. Het leven is hard hier, half Hobbesiaans. Dagelijks vinden er politie-invallen plaats. Een migrant mag van geluk spreken als hij of zij eens per week bij een humanitaire organisatie kan komen douchen. En wie illegaal is verklaard is kwetsbaar voor uitbuiting door mensensmokkelaars  en voor seksuele uitbuiting door mensen uit Calais.

Enigszins aarzelend kom ik binnengelopen. De mannen kijken om. Iemand zegt zachtjes “Welcome”. Zodra ik dichterbij kom staan er drie, vier, vijf mannen op. Ik vraag me af waarom, totdat één van hen me bij de arm pakt en me met zachte dwang naar een bureaustoel leidt waarvan de zitting versleten en kapot is. Er zijn te weinig zitplaatsen voor iedereen, en de gast is koning. Voor hen wel. Het is niet mogelijk het aanbod af te slaan: mannen doen een stap naar achter als ik zeg dat zij ook best op die stoel mogen gaan zitten. Uiteindelijk, na veel aandringen, krijg ik er één zover om dan maar met mij een stoel te delen, maar dit komt hem schijnbaar op een uitbrander van de anderen te staan. “Houd je van thee?”, vraagt een buurman. Een fles met water wordt in het vuur gezet, en tien minuten later drinken we hete, zoete thee.

In deze duisternis tref ik Fahran. Ook hij zit om het vuur. Met zijn grijze kroeshaar en zijn ogen waarvan er één grijs en één groen is, is deze Soedanees een opvallende verschijning. Hij spreekt redelijk Engels, de enige vereiste om een gesprek aan te knopen in de migrantengemeenschap van Calais. Ik heb me nog maar net voorgesteld, of achter ons beginnen twee mannen tegen elkaar te schreeuwen. “Dat zijn degenen die alcohol drinken”, zegt Fahran geërgerd, “Daar gaat een mens rare dingen van doen. Ik ben zelf overtuigd Moslim, dus ik drink niet”. Hij schijnt op de hoogte van de Westerse bezwaren tegen zijn religie, want hij vervolgt: “You know, ik heb in Soedan eerst de Bijbel bestudeerd en vervolgens de Koran. Die laatste vond ik het beste bij me passen, dus die heb ik gekozen. Maar het maakt niet uit welke religie een mens heeft”. Ik heb het eerder gehoord in Calais: jouw God is mijn God.

We drinken onze thee. Ik heb geleerd voorzichtig te zijn met het trekken van conclusies. Wat Fahran zegt hoeft niet perse zijn visie te zijn. Ik heb al eerder creatieve migranten gezien. Die bleken dan wat spannendere vluchtverhalen te vertellen dan dat ze werkelijk waren. Maar een economische vluchteling komt nou eenmaal niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning, ook al leefde hij in zijn thuisland in diepe armoede. Toegang tot het beloofde land wordt vaak alleen met behulp van een leugen verkregen. Misschien is Fahran’s verhaal ook niet meer dan een poging om bij mij in de smaak te vallen. “Wacht hier”, beveelt hij me terwijl hij opstaat. Hij verdwijnt in het donker, om even later terug te keren met een groen boek in zijn hand. “De Arabische en Engelse vertaling van de bijbel”, vertelt hij met gepaste trots. Fahran blijkt een overtuigde moslim te zijn die al sinds Sudan een grote, zware, prachtige kopie van de bijbel met zich meesleept. “Het is een geschenk aan jou, om je te bedanken voor onze gesprekken”, vervolgt hij. Dit keer weet ik hem er gelukkig van te overtuigen dat het boek, bewijs dat ‘de moslim’ niet per definitie afkeurend tegenover andere opvattingen staat, een te groot geschenk is.

Als hij me die avond weer naar buiten begeleidt, knijpt hij me zachtjes in de arm. Zijn witte tanden lichten op in het donker. “Waar geloof jij eigenlijk in?”, vraagt hij me nieuwsgierig. “Ik geloof niet”, antwoord ik voorzichtig. Hij blijft even stilstaan en kijkt me niet begrijpend aan. Dan vervolgen we onze weg, naar de straat waar het leven van de verkleumde Afrikaanse mannen plotsklaps weer overgaat in het dagelijkse leven van de Fransen. Terwijl zij thuis rode wijn drinken bij de open haard, wagen de migranten vannacht een zoveelste poging het ongastvrije Frankrijk te verlaten. Weg uit Sudan maar nog steeds op de vlucht in het hart van Europa. Bij de afgebrokkelde betonnen poort gekomen schudt Fahran me de hand. “Be careful, wees voorzichtig”, drukt hij me op het hart. Maar ik weet dat niet ik voorzichtig moet zijn, maar hij. Hij en zijn vrienden die waarschijnlijk al maanden dromen van een ontvangst zoals ik die vanavond heb gekregen. Gastvrij, welkom, en met de gepaste trots iemand te kunnen helpen. Ze moeten voorzichtig zijn voor lijf en leden, maar bovenal voor de desillusie die Frankrijk, Engeland, Europa voor ze in petto heeft. En Fahran begreep niet waarom ik niet geloof.


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s