Interview: Tegen de stroom in.

“In de oorlog waren Duitse soldaten ingekwartierd in de kostschool. De soldaat die in mijn bed sliep liet een briefje voor me achter om me te bedanken. En ook zijn thuisadres, zodat ik hem kon schrijven. Maar ja, dat kon in die tijd niet hè? Dat vonden de mensen niet juist.”

Maar wat vond u er zelf van? Zonder nadenken: “Ja, dat was wel aardig van hem, hè? De meesten waren echt niet verkeerd. Toen we in september 1944 onze huizen moesten ontvluchten stond er bijvoorbeeld één langs de weg te huilen. Gewoon, omdat hij het zielig voor ons vond. Dat is een van die beelden die me van de oorlog is bijgebleven. Het waren uiteindelijk toch vooral de leiders die fout waren.”

Maar hoe voelt een oorlog dan, kunt u dat uitleggen aan iemand die er nooit één heeft meegemaakt? Peinzend kijkt de kleine vrouw voor zich uit. “Op een gegeven moment komt de gewenning,” zegt ze ten slotte. “Dan ren je van schuilplaats naar schuilplaats zonder er langer bij na te denken. Misschien had het te maken met mijn vertrouwen in de goede afloop. Ik heb geen moment gedacht dat de bevrijding niet zou komen”.

Nu we samen aan het begin van ons gesprek terugkijken op die oorlog van lang geleden moet de Brabantse Tinie Wijgergangs (88) uit Berlicum concluderen dat ze ‘niet gauw zit te zeuren.’ Dat blijkt achteraf een understatement. Want zo vanzelfsprekend als ze in de jaren veertig geloofde in de goede afloop van die wereldbrand, zo kalm is ze vandaag de dag nog steeds. In een huis vol Mariabeelden, antiek en kant vertelt ze zelfverzekerd en fier haar levensverhaal. Het verhaal van een vrouw die op wist te boksen tegen een overmacht aan mannen. En het verhaal van een vrouw die besloot dat zij het leven ook wel alleen af kon. Na dik twee uur besloten we ons gesprek met een precair onderwerp, namelijk het naderende einde. Maar tegen de tijd dat we bij dat thema waren aanbeland zou het me al niets meer verbazen als deze sterke vrouw eigenhandig de dood met haar glimlach kan wegwuiven.

En na de oorlog? “Bij de bevrijding in september 1944 brandde de boerderij van mijn ouders af. Toen zijn we noodgedwongen met de hele familie in een tweepersoons woning getrokken. Gelukkig had ik in 1941 mijn lerarengraad gehaald, waardoor ik snel weer aan het werk kon. Op mijn 27ste was ik hoofd van de lagere school. Erg jong, zeker voor een vrouw!”

Hoe is u dat gelukt? “Ik denk door mijn doorzettingsvermogen. Toen ik schoolhoofd werd, waren veel mensen sceptisch. Zo’n jong ding, dat kon niet goed gaan. Ze riepen dat de school binnen de kortste keren een openbare school zou zijn, in plaats van katholiek! Maar ik had het niveau van het onderwijs snel opgekrikt. Toen klaagde er niemand meer.”  Zelfs in het bijzijn van de broeders van de jongensschool durfde ze uiteindelijk op haar strepen te staan. “De eerlijkheid heeft me ook verder geholpen. Toen de schoolinspecteur op een dag bij een van de leraressen langs was geweest, zei hij: ‘Uw collega is in tranen, gaat u even bij haar langs.’ Waarop ik antwoordde: ‘Nee, komt u maar even bij mij op kantoor langs.’ Iemand die een collega in tranen had gekregen, daar wilde ik het mijne van weten. ‘Je bent precies je vader, Herm Wijgergangs,’ zeiden ze dan tegen me.” Glunderend kijkt ze me aan. De ingehouden woede in haar stem gaat altijd gepaard met een glimlach. “Zoals je begrijpt ben ik behoorlijk principieel. Altijd al geweest. Ik heb bijvoorbeeld geld geleend van mijn vader om mijn opleiding te betalen. Toen ik werk kreeg ben ik hem dat in maandelijkse termijnen af gaan betalen. Als hij me dat op een gegeven moment niet verboden had, was ik daar nu nog steeds mee bezig geweest.”

Hoe was uw eigen schooltijd? “Ik zat zelf bij nonnen in de klas. Op onze verjaardagen kregen alle kinderen een paar snoepjes. Eén voor elk jaar dat we ouder werden. Ik niet, ik kreeg een hand vol. Waarom? Geen idee! Mijn vader was een man die zijn mening durfde te geven, misschien waren ze daar bang voor. Dus werd ik voorgetrokken. Het heeft mij in ieder geval één ding geleerd: maak nooit verschil tussen kinderen.” Weer die rustige uitstraling, al heeft haar stem scherpe randjes als ze over onrecht spreekt. “Nog een voorbeeld: ik heb geen woord Engels geleerd op school. Hoe dat kwam? Omdat de non die Engelse les gaf alleen maar oog had voor een klasgenootje. Echte lesbische toestanden. En dat terwijl wij scholieren niet eens met z’n tweeën over het schoolplein mochten lopen, omdat ze bang voor ontvlammende liefdes waren! Ik heb mezelf voorgenomen nooit meer met die nonnen samen te werken.”

Nooit meer? Maar al die religieuze symbolen in de kamer! Heeft het uw relatie met het geloof dan niet veranderd? “Nee. Religie is voor mij wat anders dan de kerk. Ik ben gelovig, maar ga niet veel meer naar de kerk. Dat heeft niets met de nonnen te maken, hoor. Maar al die Engelstalige nummers tegenwoordig in de kerk! Waar is dat prachtige Gregoriaans gebleven? De zang werd vervangen door liedjes, begrijp je wat ik bedoel?”

Ja. “En ik geloof echt dat er in de bijbel goede voorbeelden staan van hoe we nu kunnen leven. Maar dan die dingen als de hel en het vagevuur. Wie straft een ander nou door hem of haar levend te verbranden?! En ik geloof wel in een opperwezen, maar niet dat er daarboven een heer op een troon zit.”

Dat zijn toch andere denkbeelden dan veel mensen vroeger hadden, lijkt me. Hoe praatte u hier met uw ouders over? “Niet. De kerkgang was sleur, gewoonte. Ook voor mijn ouders. We spraken er thuis niet meer over. Het hoorde er gewoon bij.”

Wat voor mensen waren uw ouders dan? “Zoals gezegd lijk ik veel op mijn vader. Hij was kordaat, resoluut, stoutmoedig. Mijn moeder was…,” peinzend staart ze voor zich uit, langs me heen, als om het gewicht van haar woorden nog één keer te wegen alvorens ze uit te spreken, “…Er was geen beter mens dan mijn moeder. Zonder straf, door een blik in haar ogen, wisten wij direct hoe laat het was. Een fantastische vrouw. Af en toe denk ik: had ik maar wat meer haar karakter.”

Hoe dan? “Nou, dienstbaar. Ze deed altijd alles voor het gezin. En ze vergat zichzelf dan. Dat vond ik mooi.”

Bent u getrouwd? “Nee, nooit geweest. Het is er eigenlijk simpelweg niet van gekomen. Ik kon directrice worden op een basisschool. Het was in die tijd de gewoonte dat de man kostwinner was, en dat een vrouw dus stopte met werken zodra ze trouwde. Ik koos ervoor niet te trouwen en te blijven werken. Het is zo gelopen.”

Betekent dat dan dat u de liefde niet gekend hebt? Na een korte denkpauze: “Nee dat niet. Want ik heb andere manieren van liefde gekend.” Ze draait zich om, weer op die rustige manier, en wijst naar een grote foto op de kast. “Dat is Jan,” zegt ze, “Jan had een vrouw met een zware depressie. Op een gegeven moment zei zijn vrouw alleen nog maar ‘Mooi hè?,’ terwijl ze naar de wolken wees. Ik wandelde met haar, zodat Jan af en toe tijd voor zichzelf had. Na haar overlijden gingen we wel eens op vakantie. Jan en ik. Eerst op twee verschillende kamers, later samen op één kamer. Maar we wisten wat we aan elkaar hadden. Geen seksualiteit, punt, niks.”

Is dat nou nooit eenzaam geweest, zonder man? “Eenzaam? Nee hoor!” Maar na een korte overdenking: “Soms mis ik dus wel de vriendschap met een man, dat wel. Jammer dat Jan is overleden.”

Maar vroeger dan? Ik bedoel: iedereen is toch puber geweest? “Tsja, vroeger… In de oorlog leerde ik een onderduiker kennen. Ik viel tijdens het schaatsen hard op mijn hoofd. Hij lachen natuurlijk. Ik heb hem toen een kop koffie aangeboden, maar daar bleef het bij. De nonnen zeiden altijd: ‘Meisjes, meisjes, pas op voor omgang met mensen van het andere geslacht.’ Maar wat wisten wij nou van seksualiteit, of van ‘omgang’? Zelfs de rector wist er niets van te vertellen, want toen we vol verwachting naar de les over seksuele voorlichting gingen begon hij literatuur voor te lezen. Hij was zelf te beschaamd om er echt iets over te vertellen!” Ze lacht om de tijdgeest.

Wat doet dat met u, dat mensen om u heen overlijden? “Het doet me veel. De mensen om je heen vallen weg. Ik hecht veel waarde aan vriendschap. Dan is het jammer als ze er niet meer zijn.”

Maar wat doet dat met u? Ik bedoel … de dood. Maakt het u wel eens bang? Verbaasd: “Waarom zou ik bang zijn voor de dood? Ik heb een goede tijd gehad. Bovendien, dokters maken het overlijden tegenwoordig steeds draaglijker.” Iets onzekerder nu, met ogen die vragen: “Ja toch, of niet dan?”


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s