Op straat spelen in ‘Rotjeknor Rock ‘n’ Roll’

Motel Mozaïque bracht dit weekend een ode aan de straatmuzikant: bekende en minder bekende artiesten speelden op straat in Rotterdam, een stad waar volgens de organisatoren van het festival ‘het spontaan spelen van muziek op straat al jaren aan banden is gelegd.’ Van de Nijmeegse rockers van De Staat tot rapper Glenn de Randamie a.k.a. ‘Typhoon’, allen daalden voor een middag weer af van het hoge podium naar straatniveau. Voor Erasmus Journalisten vertellen twee straatmuzikanten hun verhaal.

 

‘GERARD GITAAR’

Tijd is geld voor Gerard Gitaar, daarom spreekt hij snel. Ondertussen nipt hij aan een halve liter Schultenbräu, rookt hij een sjekkie, en houdt hij ook nog eens zenuwachtig vanuit een ooghoek ‘zijn’ stekje voor het winkelcentrum op het Eudokiaplein in Rotterdam-Noord in de gaten. Het afgelopen uur was geen succes, want binnen collecteert een aantal kinderen voor een schoolproject. Gerard hoopt maar dat ze snel weer weggaan.

Lekker pimpelen

Volgende maand wordt Gerard, gestoken in een zwartleren jack en met een bruine vilten hoed over zijn grijze haren, vijfenvijftig. Gerard: “Rond mijn dertigste ging ik al solo. Ik heb daarvoor ook in bandjes gespeeld, hoor. Maar een avondje spelen met de band leverde 400 of 500 euro op. Dat moesten we met zijn vijven delen, en daar gingen dan ook nog de kosten voor de soundcheck en het busje vanaf. En voor de terugweg huurden we een nuchtere vent in voor achter het stuur, zodat wij lekker konden pimpelen.”

‘Solo gaan’ was voor hem dan ook een vrije keuze: “Honderd procent. Helemaal. Als ik alleen speel, verdien ik in zes uur tijd 60 tot 70 euro.” Dat is voor Gerard, die met zijn broer ‘soms in een huis, soms in een caravan’ woont, genoeg om mee rond te komen. Een uitkering zegt hij niet te hebben, ‘omdat ze hem anders toch wel pakken.’

Een feestje tussen de lakens

Het liefst speelt Gerard muziek uit de jaren 60 en 70. Vooral Neil Young en de Rolling Stones heeft hij hoog in het vaandel staan.  “Maar acht van de tien verzoeknummertjes ken ik,” beweert hij, terwijl hij een trekje neemt van de peuk die al bijna tot zijn vingernagels is opgebrand. “Een tijd geleden kwam een man bij me, met zijn vriendin aan de arm. ‘Ik ben vandaag meester in de Rechten geworden,’ zei hij tegen me. ‘Ik heb twee verzoeknummers. Als je ze kunt spelen, krijg je vijftig euro per nummer om deze dag te vieren.’ Ik kende ze allebei: Bad Moon Rising van Creedence Clearwater Revival en The River van Bruce Springsteen. Dat was de snelste honderd euro die ik ooit heb verdiend.”

De charme van spelen op straat komt volgens Gerard van de ‘mensen van wisselend pluimage’ die je er tegenkomt. “Zo ben ik ooit uitgenodigd om op de verjaardag van een man op te treden,” vertelt Gerard enthousiast. “Veertig euro voor twee uur spelen, mee-eten, en dan achteraf ook nog even met de pet rond!” Maar het geluk laat zich niet alleen in financiële termen uitdrukken: “Af en toe komen er ook sexy dames op me af. Het wil nog wel eens een feestje worden, zo tussen de lakens.”

Rotjeknor Rock ‘n’ Roll

Het spelen bevalt wel in ‘Rotjeknor Rock ’n’ Roll,’ zoals hij de stad zelf graag noemt. Alleen het centrum is voor Gerard, restaurantkok van origine, verboden terrein. Straatmuzikanten die daar willen spelen hebben een vergunning nodig. Gerard: “Er waren maar vijftien vergunningen te verdelen, en daar werd niet eens auditie voor gehouden. Dus nu staan er daar een paar geluksvogels die nog geen noot kunnen raken.” Het nabijgelegen Stadhoudersplein levert waarschijnlijk ook meer op dan het Eudokiaplein, maar daar staat al iemand. “Een oude accordeonist die maar drie liedjes kent,” weet Gerard, “Die wil ik niet van zijn plek schoppen. Hij stond er eerder.”

Minder collegiaal vindt Gerard zijn buitenlandse concurrenten. “De terrassen in het centrum waren vroeger altijd een vetpot. Maar later kwamen er Oost-Europeanen in hun apenpakjes op nog geen vijf meter afstand van me spelen. De mensen op het terras hebben ze uitgefloten, maar het geeft wel aan hoe agressief ze te werk gaan.” Hij zet nu geld opzij om de banden van zijn caravan te kunnen repareren: “Dan gaan mijn broer en ik naar Luxemburg: dat is pas een terrassenparadijs.”

Big Business

Dan ziet Gerard de kinderen van het schoolproject het winkelcentrum uitlopen. “Sorry, dit is big business,” verontschuldigt hij zich, en loopt met zijn klapstoeltje weg om te gaan spelen. Met een zangstem die nog net iets scheller en sneller is dan de manier waarop hij praat, perst hij er Heart of Gold van Neil Young uit. Een donkere jongen gooit, zonder zijn koptelefoon van de oren te halen, kleingeld in de gitaarzak. En even later blijft een knappe, goedlachse vrouw voor hem staan, en zingt een paar regels met hem mee. Gerard, misschien toch niet zo’n held op dat gebied als hij zelf beweert, durft haar slechts vluchtig aan te kijken. ‘All right,’ zegt hij waarderend.

 

RIKKE KORSWAGEN

Rikke Korswagen is de gitarist van Half Way Station, een Rotterdamse band die dit jaar naam maakte met een optreden in de finale van de Grote Prijs van Nederland. Het debuutalbum dat in februari werd uitgebracht, kreeg goede kritiek. Daarmee lijkt de band die indie folk, blues en psychedelia weet te combineren, op weg naar de top. Maar Korswagen verloochent zijn afkomst niet: nog regelmatig verruilt hij het podium voor de klinkers.

Minderwaardig

Toen hij tien jaar oud was, speelde Korswagen al voor de Albert Heijn, bij de winkelwagentjes. “Het was geen slechte plek: wanneer mensen de guldens uit de winkelwagens haalden, gaven ze die vaak aan mij,” herinnert hij zich. En nog steeds, als hij ‘blut is en rood staat,’ is hij voor de supermarkt te vinden om zijn avondeten bij elkaar te spelen.

“Soms voel je je minderwaardig,” zegt Korswagen daarover. “Als de supermarktmanager je op een arrogant toontje verzoekt om weg te gaan, bijvoorbeeld. Ze verzinnen altijd wel weer wat nieuws: laatst nog zei er een dat ik zakkenrollers aan zou trekken. ‘Kijk eens wie er bij jullie bij de blikken bier staan, wie trekt hier nou zakkenrollers aan?’ vroeg ik hem. Maar zo’n man verwacht eigenlijk niet eens dat je normaal terug kunt praten.”

Muntjes in de banjotas

Belangrijker dan het geld vindt Korswagen de romantiek van het spelen op straat. Toen hij met zijn vriendin en bandlid Elma Plaisier door Frankrijk reisde, speelden ze iedere dag een aantal uur op straat. “Met het geld dat we ophaalden kochten we eten en benzine voor de camper, zodat we weer verder konden reizen. Als er ’s avonds allemaal muntjes uit je banjotas komen vallen, of als je een maaltijd in een restaurant afrekent met alleen maar kleingeld: dat zijn mooie dingen.”

Een andere drijfveer is voor Korswagen de tijdelijkheid van de straatact. Even staan ze op een bepaalde plek te spelen, maar als ze er weer weggaan, blijft alles bij het oude. In de Joodse wijk van Parijs speelde hij ooit met zijn band op een verlaten plein, zonder versterkers en zonder het doel om geld op te halen. “Even later kwam er een schoolklasje om de hoek gemarcheerd, met zo’n strenge juffrouw aan het hoofd. Ze hielden halt, en de kinderen kwamen op de knieën voor ons zitten luisteren. Tien minuten later klapte de juffrouw in de handen, stonden de kinderen op, en verdwenen ze weer.” Een oude vrouw, die aan het plein woonde, opende haar ramen en gooide een propje aluminiumfolie naar Korswagen: “Er zat twee euro in. Ze was slecht ter been, en waarschijnlijk al tijden niet meer de deur uitgeweest. Zoiets betekent wel wat voor me.”

Op zoek naar echtheid

Maar ook dichter bij huis ziet hij dit soort taferelen: “Ik stond ooit in Utrecht voor winkelcentrum Hoog Catharijne te spelen, zodat ik een treinticket naar Rotterdam kon kopen. Een klein jongetje liep op me af, en tilde zijn schooltas van zijn rug. Hij ritste de zak open, en pakte twintig cent uit een klein portemonneetje.” Korswagen pulkt met zijn duim en wijsvinger in de denkbeeldige portefeuille. “Naar dat soort echtheid ben ik op zoek. Klinkt dat zweverig?”

“Het spelen op straat is echt heel zwaar, en je merkt dat veel straatmuzikanten er na een tijdje afgestompt van raken,” zegt Korswagen. “Wie een klein repertoire heeft, speelt vaak dezelfde nummers. De intentie zit er dan na een tijdje niet meer in.” Voor Korswagen moet het in de concertzaal, maar ook op straat, vooral om de muziek zelf gaan. “Het is het verschil tussen kwaliteit en kwantiteit. Op straat hebben mensen geen kaartje gekocht om naar je te komen kijken. Daar ben ik al blij als ik een iemand heb kunnen verrassen met mijn muziek. Dat blijft iets waardevol, zoiets gaat nooit vervelen.”

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s