Een stukje schedel is beter dan niets

De Nijmeegse student Willem Barentsen verdwijnt precies 25 jaar geleden tijdens een vakantie in het buitenland. Van de jonge avonturier ontbreekt lange tijd ieder spoor, totdat men een stukje schedel vindt onderaan een berg in Roemenië. Een reconstructie in vier bedrijven.

Dit artikel verscheen eerder in De Gelderlander, PZC, De Stentor en BN de Stem.

Deel 1 – Willem komt thuis

Het was een potsierlijk gezicht. De doodskist was zo klein dat een pasgeboren baby er nog krap in zou liggen. En dan dat gedoe met de douane op Schiphol! Krabbels zetten, vervoerskosten betalen. Alsof het ging om een stuk bagage dat geïmporteerd werd van Roemenië naar Nederland. Toen alle formaliteiten rond waren, kwam dan eindelijk de overdracht. Zonder plechtigheden werd het kistje in handen gedrukt, achterin de veel te ruime lijkwagen gezet, en weggereden. De begrafenisondernemer moest getroost worden: zoiets had hij nog nooit meegemaakt.

Zo kwam Willem Barentsen thuis, op 6 juni 1996. Na jaren van onzekerheid, bureaucratische rompslomp en wanhopige zoektochten was er iets om vast te houden. Het was niet meer dan een klein stukje schedel, maar toch. Je kon er bij rouwen, bij janken, bij herinneren. Je kon het op de oude kinderkamer zetten, met speelgoed van vroeger, boeken en cassettebandjes. Wie wel eens een geliefde verloor weet hoe waardevol dat is. En dat na drie lange jaren waarin het leek alsof Willem van de aardbodem was verdwenen.

‘Als de begrafenisondernemer het eruit haalt, zie ik het’, schrijft moeder Joke die dag in haar dagboek. ‘Het is vierkant. Snel pak ik het in de gang over. De trap op, snel. Ik draag het. Ik kus het. Willem! […] Zo moet het. Dit is goed.’ Ze was die dag zo ontzettend blij, zal ze later zeggen.

Deel 2 – De laatste reis

Wie ooit heeft gelift, kent de frustratie. Je staat soms uren te wachten bij een troosteloze benzinepomp of op een snikheet stuk asfalt. Je glimlach verkrampt, je duim wordt stijf en je vraagt je af of je voor het donker nog wel een slaapplaats vindt. Dat is het moment waarop je aan de hele onderneming gaat twijfelen.

Dat leek niet voor Willem te gelden, want hij was een geboren geluksvogel. Hij hoefde maar langs de weg te gaan staan, of er stopte wel iemand. Soms belde hij vanaf zijn studentenkamer naar zijn moeder om te zeggen dat hij eraan kwam, en dan ging de deurbel al voordat Joke er erg in had. Met het openbaar vervoer had hij er waarschijnlijk niet sneller kunnen zijn.

En zo ging het ook precies 25 jaar geleden, toen Willem in de zomer van 1993 zijn beste vriend Casper in Barcelona wilde opzoeken. In een brief aan Casper vertelt hij hoe hij vaak al bij het uitstappen een volgende lift krijgt aangeboden, en hoe hij in één vrachtwagen zelfs een paar dagen lang kan blijven zitten. ‘Ken je die hartklopping?’, schrijft hij aan zijn maatje. ‘Zo’n drie à vier dagen met één lift. Ken je dat?’

Maar ook Willems geluk is eindig, bleek die zomer. Zijn moeder Joke werd op 15 augustus gebeld door medewerkers van de Wereldwinkel waar Willem vrijwilliger was. Waar bleef hij nou? Hij zou die dag toch een dienst draaien? En de vrolijke jongen met dat ringetje in zijn linkeroor was ook nooit in Barcelona aangekomen, zei Casper later. Moeder Joke en stiefvader Gerard werden met de dag ongeruster. Het was niets voor Willem om weg te blijven zonder teken van leven.

De Roemeen Cornel Corhu groeide op in de schaduw van de Karpaten. Als hij niet werkte als liftbediende in de plaatselijke kabelbaan, dan ging hij graag op pad om de machtige bergketen te ontdekken. Zo ook in de herfst van 1993. Op zoek naar het befaamde rotsplantje edelweiss, stuitte hij ineens op een stuk schedel. Naast het lugubere botstuk lag een donkergroene rugzak met binnenframe, met daarin gestreepte onderbroeken, een groen afgeknipte spijkerbroek, witte overhemden en sandalen. En een Nederlands paspoort op naam van Willem Barentsen.

Deel 3 – Wachten went nooit

‘De gevonden stoffelijke resten zijn NIET van Willem Barentsen.’ Het stond er echt, in die brief van 29 maart 1994. De Roemeense autoriteiten hadden haren vergeleken, gebitsfoto’s bekeken en kledingstukken naast elkaar gelegd, en concludeerden daaruit dat het stuk schedel weinig overeenkomsten vertoonde met Willem Barentsen. Het was hem niet.

Maar er was iets geks met dat Roemeense onderzoeksrapport. Het was wel erg … primitief. Zo ontbrak het bijvoorbeeld aan een beschrijving van de onderzoeksmethoden; er werden enkel conclusies getrokken. Dat maakt het onmogelijk om na te gaan of het tand- en haaronderzoek op de juiste manier is uitgevoerd. Bovendien was er geen gebruik gemaakt van DNA-onderzoek, een veelbelovende techniek die in 1994 nog in de kinderschoenen stond.

Is de schedel echt niet van Willem? Alleen een Nederlandse contraexpertise kan Joke en Gerard geruststellen. Maar Roemenië ademt nog in alles de sfeer van het communisme uit, en de medische experts zijn niet van plan om zomaar wat DNA van de schedel af te staan. Daarmee zouden ze impliciet toegeven dat hun eigen onderzoek waardeloos was, en op gezichtsverlies zitten ze niet te wachten.

Dus reizen Gerard en Joke in oktober 1994 zelf naar Roemenië af, in een soort wanhopige smeekbede aan de autoriteiten. Al heeft de planeconomie inmiddels plaatsgemaakt voor de vrije handel, de communistische bureaucratie staat nog fier overeind. Ze worden er ontvangen door vier stoffige heren in pak, die op pluchen stoelen achter een mahoniehouten tafel zitten. Joke krijgt een ongemakkelijke handkus, en vraagt zich af in welk toneelstuk ze is beland.

Maar uiteindelijk is er resultaat: een stukje weefsel komt naar Nederland voor een laboratoriumonderzoek. De Roemenen gaan alleen akkoord als een Roemeense bioloog eigenhandig het stukje weefsel naar het laboratorium in Leiden mag brengen. Na de nodige onderhandelingen komen ze overeen dat Gerard en Joke alle kosten voor de reis en het hotel betalen, en ook nog eens 400 gulden ‘zakgeld’ voor de Roemeens bioloog.

En dan is het weer afwachten geblazen. Waar Joke en Gerard eerst maandenlang moesten wachten op nieuws van de Roemeense autoriteiten en de Nederlandse ambassade in Boekarest, moeten ze nu geduld hebben voordat ze de DNA-uitslagen ontvangen van het Nederlandse laboratorium. In de tussentijd kun je alleen maar blijven bellen en schrijven in de hoop dat de zaak hoog op de agenda blijft staan. Dat eindeloze wachten went nooit, schreef stiefvader Gerard in zijn memoires.

En dan eindelijk, op 24 mei 1995, komt het verlossende telefoontje. Het is hem wel. Willem is dood. Hoe hard het ook is om je zoon te verliezen, voor Joke en Gerard was het ook een opluchting. Hun zoon is terecht, nu kunnen ze een grafmonumentje inrichten en verder gaan. ‘Ik ben blij dat we wat hebben, dat ik weet dat hij overleden is,’ zegt Joke 25 jaar na de verdwijning. ‘Anders was hij nu nog vermist. Zulke ouders ken ik ook. Die hebben iedere keer weer hoop. Dan staan ze bijvoorbeeld in het huis van Marc Dutroux te zoeken naar kleren van hun kinderen. Nou dan ben ik blij dat ik het al weet.’

Deel 4 – Een groot gemis

In de dressoirkast van moeder Joke staat een kegelvormige kaars die ze ooit van Willem kreeg. De kaars heeft slechts eenmaal gebrand, en toen verdween Willem. Het voorwerp ziet er sindsdien uit als een vulkaan met een krater op de top. Want Joke weet dondersgoed: als ik die kaars nogmaals aansteek en laat opbranden, verdwijnt er weer iets dat me aan mijn zoon doet denken.

Zo ziet rouw eruit na 25 jaar. Je houdt je vast aan de laatste voorwerpen en herinneringen, omdat je weet dat het er alleen maar minder zullen worden. Niet alleen gaat er soms iets stuk of raakt het kwijt, ook sommige herinneringen zullen op den duur vervagen of vervliegen als de was van een kaars. Hoe rook iemand ook alweer, hoe lachte hij?

Dat is ergens maar goed ook, zegt Joke. Kort na de vermissing dacht ze iedere seconde van de dag aan Willem, zoveel dat het piekeren haar gek maakte. Na maanden komt er een onbewaakt ogenblik – tijdens het koffiezetten of strijken, wie zal het zeggen? – waarop je vijf minuten niet aan diegene denkt. En zo worden de tussenpozen langzaam maar zeker langer. Al zal de herinnering natuurlijk nooit volledig verdwijnen.

Zo hoeft Joke maar langs een Wereldwinkel te lopen, of ze denkt weer aan haar zoon als de idealistische vrijwilliger. De goededoelenwinkels zijn als wispelturige magneten voor haar. Ze trekken haar aan, zo sterk zelfs dat ze er soms een blokje voor omloopt. Maar zodra ze voor de deur staat, stoten ze haar even hard weer af. Naar binnen gaan is te confronterend, dat durft ze niet. Zelfs niet na 25 jaar.

Een ding blijft knagen. Wat is er in hemelsnaam met Willem gebeurd? Is hij uitgegleden en van de berg gevallen? Zijn rugzak en schedel werden immers gevonden onderaan een rotswand, op een weggetje dat in de volksmond nota bene het Valcelul Mortului-pad heet: het dodenpad. Maar waarom is de rest van zijn lichaam dan niet in de omgeving gevonden? Of zoals een Nederlandse patholoog-anatoom nogal grafisch beschreef: ‘Een lichaam valt, zelfs over scherpe punten, niet in stukken uit elkaar’.

Joke hoopt er ooit nog achter te komen hoe haar zoon om het leven is gekomen. Maar op de vraag hoe groot ze die kans acht, antwoordt ze zonder aarzelen en met een honend lachje. ‘Nul. Die kans is nul.’


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s