Het Joodse familiegraf

Op de Joodse begraafplaats aan de Amsterdamsevaart in Haarlem ligt een complete familie met dezelfde sterfdatum: 15 mei 1940. Een verhaal over vervolging, wanhoop en potdichte grenzen.

Dit artikel verscheen op 4 mei 2019 in het Haarlems Dagblad.

DEEL 1 – HET KERKHOF

Wie Haarlem uitrijdt over de Amsterdamsevaart, komt ter hoogte van de IKEA langs de oude Israëlitische begraafplaats. Loop je door het gietijzeren hek met de kenmerkende Davidsster, dan zie je rij na rij de vrijwel identieke grijze grafstenen. Op de sobere stenen staat vaak een korte boodschap aan de overledenen, gevolgd door de geboorte- en sterfdata volgens de Christelijke en Joodse jaartelling.

De grafstenen geven de aanblik van een slecht onderhouden gebit. Je ziet nog wel dat de tanden oorspronkelijk keurig in het gelid stonden, maar inmiddels zijn ze verweerd, scheefgezakt of zelfs gebroken. Datzelfde geldt voor de Joodse gemeenschap in Haarlem. Het bloeiende Joodse leven werd in de oorlog op een haar na met wortel en tak uitgeroeid, en alleen een vers gedolven graf op de allerlaatste rij herinnert eraan dat het de Nazi’s nooit is gelukt.

Ergens halverwege die tientallen vergelijkbare grafstenen staat ineens een zerk die uit de toon valt. Niet dat de tand des tijds de steen heeft overgeslagen, want ook deze zerk staat een beetje scheef en is bespikkeld met oranje mos in de linkerbovenhoek. Maar hij is duidelijk een maatje groter dan de grafstenen er omheen, alsof tussen de snijtanden ineens een flinke kies opduikt. Wie het opschrift bestudeert, begrijpt al gauw waarom. In het graf liggen maar liefst vier mensen begraven, vier familieleden die allemaal stierven op 15 mei 1940. Dit is hun verhaal.

DEEL 2 – EEN FAMILIE OP STAND

Woonde je vlak voor de Tweede Wereldoorlog in de Duitse stad Keulen, dan kon je haast niet om Albert Bendix heen. Hij was senior partner van een grote Duitse bank met maar liefst zestig kantoren verspreid over het hele land. Daarnaast zat hij in de jaren twintig en dertig in het bestuur van zo’n 25 bedrijven in de domstad. Door zijn zakenpartners werd hij getypeerd als een wijze man die ook nog eens een geweldig gevoel voor humor had. Tot zijn vrienden mocht hij de meest prominente Keulenaars rekenen, waaronder de toenmalige burgemeester en latere bondskanselier Konrad Adenauer.

Kwam je bij Albert over de vloer, dan zag je de weelde. De zaken gingen goed, en Albert stak dat niet onder stoelen of banken. Zo was het meubilair in het ruime huis in de Keulse buitenwijk Braunsfeld handgemaakt en van de allerbeste kwaliteit. Beroemd waren ook de feestmaaltijden die Albert tweemaal per jaar organiseerde voor zijn vrienden en belangrijke klanten van de bank. Obers in rokkostuum zwierden door de kamer met kreeft en kaviaar, en ze zorgden ervoor dat de wijn rijkelijk bleef vloeien. Aan drank was sowieso geen gebrek in het huis aan de Hültzstrasse, want de wijnkelder had een capaciteit van duizend flessen.

Albert werd in die dagen door een chauffeur van en naar zijn werk gereden. Voor uitstapjes had hij een privéauto voor de deur staan. Dat was in het begin van de jaren twintig natuurlijk een ongekende luxe, al is het voertuig naar moderne maatstaven hopeloos ouderwets: het stuur zat aan de rechterkant, de versnellingspook was weggemoffeld tegen het rechterportiek en de gashendel zat bovenop het stuurwiel.

Het waren zorgeloze jaren voor de familie. Albert, zijn vrouw Bertha en hun zoon Hans-Joseph genoten van hun jaarlijkse vakanties naar zee, en ging zelfs op cruise naar Noorwegen en Spitsbergen. Zelfs de financiële crisis van de jaren twintig – met zijn hyperinflatie, massale werkloosheid en politieke chaos – kon de Bendixen niet echt raken.

Toen Alberts neefje Julius Stern stage liep bij zijn bank, nam hij op een dag een vervalst dollarbiljet in ontvangst. Albert bedacht een passende straf: Julius moest het volledige geldbedrag terugbetalen aan de bank, maar mocht dat in termijnen doen. Aangezien het geld door de inflatie steeds minder waard werd, stelde dat bedrag een paar maanden later al niets meer voor. Zo behield Albert zijn neefje voor een financiële strop. ‘Albert was mijn beste vriend en mentor’, schreef Julius later, toen alles misging.

Beluister ook mijn interview op Radio Haarlem105

DEEL 3 – AANGESCHOTEN WILD

Racisme en uitsluiting zijn sluipende processen. Lang voordat de treinen naar het Oosten reden, maakten politici de geesten al rijp voor de Holocaust. Het begon met haatdragende propaganda, vervolgens rassenwetten om Joden het leven zuur te maken, en pas in het laatste stadium de georganiseerde moord op zes miljoen mensen.

In dat prille beginstadium – vlak na de verkiezingsoverwinning van Adolf Hitler in 1933 – waande Albert Bendix zich nog veilig. De antisemitische storm zou wel weer overwaaien, was zijn gedachte. En anders zouden zijn invloedrijke contacten hem en de familie wel beschermen. Toch? Dat de waarheid anders lag, blijkt wel uit de memoires van neef Julius, die na zijn stage een kousenfabriek in Sobernheim runde en al in 1934 werd geïntimideerd door de Nazi’s.

‘De plaatselijke Nazibaas […] verscheen in mijn kantoor met twee van zijn handlangers in volledig Naziuniform. Voordat hij plaats nam, trok hij zijn revolver uit de holster en legde deze op de tafel waaraan we zaten. Toen nam hij een lijst uit zijn zak met tien werknemers van onze fabriek [die tegen Hitler hadden gestemd, red.]. Hij zei dat we deze mensen direct moesten ontslaan.’

Langzamerhand viel ook de steun uit hun omgeving weg. Al schrijft Julius dat zijn kousenfabriek ‘niet één klant’ verloor in die vreselijke jaren dertig, tegelijkertijd moet hij ook toegeven dat de repressie van de Nazi’s wel werkte. ‘De meeste Duitse vrienden waren bang om nog langer met ons geassocieerd te worden. Sommigen waren zelfs bang om ons onder dekking van de duisternis te bezoeken. Ze wisten dat ze hun banen konden verliezen als ze werden gezien.’

In 1935 werd de grond nog heter onder de voeten. Julius moest zijn kok en hulp in de huishouding ontslaan, omdat Duitse vrouwen onder de vijftig vanwege ‘verkrachtingsgevaar’ niet in een Joods huishouden mochten werken. Een andere vernedering volgde dat jaar aan het loket van de burgerlijke stand: Julius mocht zijn dochter geen Ursula noemen, omdat die naam was voorbehouden aan ‘echte’ Duitsers. Na wat gesteggel kwamen ze uit op de naam Eva (zie kader), maar pas nadat Julius de beambte had overtuigd dat dit een oudtestamentische en dus Joodse naam is.

Vanaf dat moment zocht Julius naar een uitvlucht. Hij bezocht geëmigreerde familieleden in België en Nederland, maar hij voelde zich nergens in Europa echt op zijn gemak met Hitler om de hoek. En dus ging hij in 1936 voor het eerst naar de Verenigde Staten, om te zien of hij daar een nieuwe kousenfabriek kon opzetten. Aan boord van stoomschip De Rotterdam voer hij New York binnen, met aan zijn linkerhand het Vrijheidsbeeld met het iconische opschrift: ‘Geef me je vermoeide, arme en misdeelde massa’s, hunkerend naar de vrijheid.’ Hij wist: alleen hier is mijn gezin veilig voor de fascisten in mijn vaderland. In 1937 maakten ze definitief de overtocht.

DEEL 4 – DE VLUCHT

Ondertussen bleef Albert Bendix lang twijfelen. Hij was sinds 1933 voorzitter van de Joodse gemeenschap in Keulen, en voelde zich verantwoordelijk voor hun lot. De ware aard van de hetze drong mogelijk pas tijdens de Kristallnacht tot hem door. In die nacht – van 9 op 10 november 1938 – werden door heel Duitsland joden aangevallen en zeker 1400 synagogen in brand gestoken. Eén daarvan was zijn geliefde synagoge aan de Roonstrasse, met zijn kenmerkende rozetvenster en piramidedak. In één klap werd duidelijk waar de Jodenhaat toe kon leiden, of misschien zelfs toe moest leiden in de Duitse snelkookpan van de jaren dertig.

Gaf deze haatexplosie uiteindelijk de doorslag? Dat is niet meer te achterhalen. Maar een feit is dat Albert Bendix op 27 maart 1939 naar Nederland vluchtte. Samen met zijn zoon, vrouw en schoonzus (de moeder van Julius Stern) nam hij zijn intrek op Niersstraat 45-II, een portiekflatje in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Dat ene kleine appartementje leest achteraf als een kroniek van de Holocaust. In die paar oorlogsjaren verdwenen de bewoners een voor een naar ‘Westerbork’, ‘Duitschland’ of simpelweg ‘Dld.’. En na iedere razzia nam een ander de vrijgekomen plek weer in.

Grönzburger, Boaz: 09-06-1943 naar Duitschland
Soesman, Eugène: 20-06-1943 naar Westerbork
Batavier, Elisabeth: 26-11-1943 naar Dld.
Bril, Engeltje: 16-05-1944 naar Duitschland
Wafelman, Arnold: 16-05-1944 naar Duitschland

Maar voor het zover kon komen, was de familie Bendix alweer vertrokken. Op 31 mei 1939 verhuisden ze naar Zandvoort. In de Brederodestraat vonden ze een kleine, witgepleisterde villa. Vandaag de dag huisvest het The Blue Dodo, een pension dat voor de badgasten adverteert met ‘Badezimmer inkl Handtücher’ en ‘TV mit unter anderem NETFLIX’. Er hangen visnetten in de slaapkamers en bordjes met kwinkslagen als ‘I need vitamin sea’.

Daar, op een kleine driehonderd meter van de Noordzee, begon het lange wachten op een visum voor de Verenigde Staten. Zo vaak als hij kon, reisde Albert naar het Amerikaanse consulaat om de ambassadeur te smeken vaart te maken. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan probeerde neef Julius hoge ambtenaren te overtuigen om zijn achtergebleven familieleden te helpen. ‘Ik verheug me erop dat het voorjaar wordt en de verwarming lager kan,’ schreef Albert in maart 1940 aan Julius. ‘In de strandtenten begint men langzaam alweer te werken. Maar ik hoop dat we de heropening van het strandseizoen hier niet meer mee gaan maken.’

DEEL 5 – HET EINDE

Maar langzaam wordt de toon in de brieven somberder. De Verenigde Staten geven nauwelijks nog visa af voor vluchtende Joden. Albert en zijn familieleden hebben te lang gewacht, en zitten in Zandvoort als ratten in de val. ‘Die verdomde oorlog, de kranten en radio, die zijn niet goed voor een oude chagrijn,’ schrijft hij op 3 mei 1940. ‘Als er een paar slechte berichten komen, dann schwimmen sofort alle felle weg [dan verlies ik alle hoop, red.]. […] Ik hoop dat we hier over twee maanden vanaf een grote afstand naar kunnen kijken, dat is een stuk beter voor mijn zenuwen.’

Zeven dagen later vallen de Duitsers Nederland binnen. Na het bombardement op Rotterdam van 14 mei weet Albert het zeker: dit gaat Nederland niet winnen. En door de bezetting is ook alle hoop verloren op een ontsnapping naar het buitenland. De volgende dag nemen de familieleden een drastisch besluit: ze zetten de gaskraan open. Samen met bijna tweehonderd andere Joden maken ze in die meidagen van 1940 een eind aan hun leven.

‘Lieve Julius,’ schrijft een vriendin van de familie op 12 juni 1940 aan de overlevers in de Verenigde Staten. ‘Ik kan gewoon nog niet geloven dat ze nu al vier weken dood zijn. Je hebt je moeder en je liefste familieleden verloren. […] Ik denk nu zeer vaak aan jullie. Jullie zijn zo ver weg en ik was er zo dichtbij maar kon het niet verhinderen. […] De enige troost die we hebben, is dat de doden niets meer voelen en dat hen veel bespaard is gebleven.’

‘Er hing een donkere wolk boven ons gezin’

 Terwijl Albert Bendix en zijn gezin zelfmoord pleegden, wist zijn neef Julius Stern wel op tijd weg te komen. Zijn dochter Eva (85) woont nog altijd in het Amerikaanse Andover.

‘Het is zwaar om het verleden weer op te rakelen. Ik was vijf jaar oud toen mijn ouders er achter kwamen wat er in Nederland was gebeurd. Ik kan het me niet meer goed herinneren, maar ik weet nog dat er sinds dat moment altijd een donkere wolk boven ons gezin hing.’

‘Mijn vader had de verantwoordelijkheid over alle familieleden die wel op tijd uit Duitsland waren vertrokken. Hij begon een kousenfabriek in Lawrence, Massachusetts en zorgde ervoor dat al mijn moeders familieleden zich daar konden vestigen. Er was altijd een droefheid dat het hem niet gelukt was om ook zijn moeder en de familie Bendix op tijd weg te halen.’

‘Het was moeilijk om op te groeien als Duitser en Joodse, maar ik heb altijd een sterke familie gehad. Ik prijs mezelf gelukkig dat we op tijd zijn weggekomen. Inmiddels zijn mijn man en ik 57 jaar getrouwd, heb ik drie getrouwde kinderen en zeven kleinkinderen.’

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s